In 1983 starten de eerste voorbereidingen voor een
nationaal EFTPOS systeem. (EFTPOS = Electronic Fund Transaction – Point of
Sale: electronische giro-overboeking direct bij het verkooppunt. Een
betaal-automaat).

De Postbank heeft – door de inbreng van de Gemeentegiro
Amsterdam – al flink wat ervaring met electronische geldsystemen en kiest voor
een ISO protocol voor debetkaarten. (ISO = International Standard Organization,
protocol = een stel afspraken over hoe de verschillende apparaten met elkaar
communiceren). Dit voorstel wordt voorgelegd aan de andere banken, die dit echter weigeren
toe te passen: “Het was niet ontwikkeld door een financiële instelling en het
week af van het protocol voor creditkaarten”. (Bij een debetkaart wordt het
geld direct van de rekening afgetrokken, bij een creditkaart onstaat tijdelijk
een schuld en wordt het bedrag pas in een later stadium van de rekening
afgetrokken).
De banken kozen voor een Belgisch systeem gebaseerd op
een creditkaart protocol.
Hierdoor kreeg de eerste terminal waarmee ‘aan de kassa’
kon worden betaald, dubbele software en dubbele verbindingen met zowel de
computers van de Postbank als van de andere banken.

Een dergelijk ingewikkeld systeem vraagt om vertragingen,
en het project van de Postbank en de andere banken liep dan ook voortdurend vertraging
op.
De Postbank bleef overtuigd van de juistheid van het door
haar gekozen protocol. Immers, met dit protocol was men in elke situatie zeker
van de stand van zaken van elke transactie. Er onstonden geen zogenaamde ‘zwevende
transacties’. Dergelijke situaties, die wel konden ontstaan bij creditkaarten,
konden pas na dagen worden geëffectueerd.

De Postbank besloot om samen met Shell een tweede project
te starten, gebaseerd op de eigen infrastructuur. Dit project kwam een paar
maanden na het eerste project in de lucht.
Albert Heijn raakte er vervolgens al snel van overtuigd dat
betaalautomaten bij de kassa’s goed zouden zijn voor de klandizie. Maar daar
pastte in de ogen van AH geen aparte bonnetjesprinter bij. De betaaltransactie
moest gelijk op de kassabon zichtbaar worden.
De Postbank startte met AH een project (het Pinkas-project)
waardoor alleen Postbank klanten bij AH elektronisch konden betalen (1987). Dit
was het eerste systeem in Nederland waarbij de POS terminal aan het
kassasysteem werd aangesloten zodat de gegevens van de POS transactie ‘on line‘
werden uitgewisseld en op de kassabon konden worden afgedrukt. In 1991 werd dit
systeem opengesteld voor de andere banken waaronder de NMB. Nadat Albert Heijn
bekeerd was tot elektronisch betalen wilden alle grote MKB’ers ook aan de betaalautomaat.
Het Albert Heijn Pinkas project had voor die doorbraak gezorgd.

Na deze projecten was het duidelijk dat een betaalbare
betaalautomaat vereiste dat een systeem met dubbele verbindingen, protocollen
en netwerkcomputers moest worden vervangen door een systeem waarbij iedere
terminal verbonden werd met één centrale computer die de transacties vervolgens
kon doorsturen naar de verschillende financiële instellingen. Hiervoor werd
BeaNet in het leven geroepen.
Nu werden de specificaties voor de werking van dit
centrale systeem in broederlijke samenwerking tussen alle banken (inclusief de Postbank)
opgesteld. Het transactieprotocol van de
Postbank werd alsnog als basis genomen. Het had nu zijn betrouwbaarheid wel bewezen.

Arend Jan Reijers en John Gigengack