In 1994 verhuisden wij, na een half leven in het buitenland
te hebben gewoond, terug naar de bron. In dit geval Utrecht.

Om de eerste kosten te dekken, brachten we cash wat
nederlandse guldens mee. Waaronder een briefje van duizend. En dat bleek een
wereldvreemd idee te zijn. Niemand accepteerde dat als betaling. Ook banken
waren niet bereid te wisselen. Maar het postkantoor bleek uiteindelijk de
gouden tip.

Wisselen deden ze niet, maar als ik iets kocht wilden ze het
gewraakte briefje wel aannemen.

Goed, een postzegel van 10 cent dan.

En op mijn vraag of het handig zou zijn als ik er een
dubbeltje bij deed was het antwoord: “graag”.

Pret bij de wachtende klanten. De loketbeambte kon er niet
om lachen. Hij deed toch wat van hem gevraagd werd.

Leontien Glas