In oktober 1956 kreeg de toen nog geen 16 jaar oude ‘Th.
G. Lucassen’ een oproep van de afdeling Personeelsaangelegenheden van de
Postcheque en Girodienst in Den Haag. Ter illustratie hieronder een greep uit
deze brief.

U wordt medegedeeld dat u bij gunstige uitslag van het in
te stellen geneeskundig onderzoek voor plaatsing bij de Postcheque- en
Girodienst in aanmerking kunt worden gebracht voor het bedienen van
telmachines, mits u te ’s-Gravenhage of randgemeenten over woongelegenheid kunt
beschikken.

De indienstneming geschiedt op arbeidsovereenkomst in de
rang van schrijver.

Bij gebleken geschiktheid kan geleidelijk een salaris van
Fl. 296,- bruto per maand worden bereikt.

Uw aanvangsalaris – inclusief pensiontoelage – bedraagt
Fl. 141,-, met ingang van 1 november a.s. te verhogen tot Fl. 158,- bruto per
maand. Voorts worden, afhankelijk van loon en leeftijd, éénmaal per veertien
dagen de reiskosten voor een bezoek aan het ouderlijk huis vergoed.

Indien u onder genoemde voorwaarden voor plaatsing in
aanmerking wenst te komen, verzoek ik u op donderdag 4 oktober a.s. tussen 9 en
11 uur voor een persoonlijk onderhoud op de afdeling Personeel van deze dienst,
Spaarneplein 2 te ’s-Gravenhage te vervoegen.

Rijk werd je er niet van. De eerste vijf jaar kreeg
Lucassen weliswaar jaarlijks en periodieke loonsverhoging, maar deze verhoging
ging in z’n geheel af van de pensiontoelage. En omdat Lucassen nog erg jong
was, moest hij, tijdens het tweewekelijks bezoek zijn salaris afdragen aan zijn
vader. Daarvoor kreeg hij dan wel een biljet van tweeeneenhalve gulden voor
eigen uitgaven.

De koffie en chocoladebonnen kosten op de Giro elf cent.
De thee was gratis. Eenmaal per week ging Lucassen vanuit zijn pension nar het
badhuis. Daar kostte een stortbad tien cent. Het plaatsengeld in de kerk was
minimaal tien cent.

Lucassen was op dat moment nog geen ‘goede klant’ voor de
Rijkspostspaarbank.

TH. G. Lucassen (J.
Kokken)