Het moet omstreeks 1995 geweest zijn dat ik ’s
morgens, gewoontegetrouw, als één der eersten ons ING-kantoor in Den Haag
binnenstapte mijn directeur, de heer Peter Robijns me tegemoet trad om me
iemand van de Raad van Bestuur voor te stellen. Ik werkte destijds als unieke
functionaris van Betalingsadviseur van het districtkantoor Den Haag op het
Tournooiveld ( let wel: met de naam de Ridder!

Peter Robijns showde zo vroeg in ochtend, vol
trots zijn “juweel” het pas heropend kantoorgebouw aan dit bestuurslid. Hij
stond op het punt om hem aan mij voor te stellen en ik zag hem aanstalten maken
om zijn naam te noemen. Op dat moment maakte ik een soort stopteken en zei:
Peter, wacht even. Ik ken mijnheer o.a. uit onze bedrijfsliteratuur en van het
Bedrijfsjournaal dat wij regelmatig ontvangen en bekijken. Ik herinner mij, zei
ik, dat u onlangs nog de eerste paal heeft geslagen voor een nieuw gebouw van
de Postbank in Leeuwarden met zo’n ouderwets heimachine, die nog met de hand
bediend werd en waarvan de paal heel toepasselijk van hout was.

Op het moment dat ik in dat Journaal die paal
in de grond zie verdwijnen, dacht ik inmiddelijk aan uw naam, mijnheer
Minderhoud.

U begrijpt dat beide heren op die bewuste
vroege morgen begonnen te bulderen van de lach en zelf mij ook enige
voorbeelden van ezelsbruggetjes noemden als zij met hetzelfde probleem kampten.

Kees de Ridder