U, die waarschijnlijk nog geen girorekening
heeft, spreekt van “gaan betalen”. U moet telkens ergens geld gaan brengen, al
was het maar naar het postkantoor. Kwitanties, postwissels, stortingskaarten,
geld tellen, in de rij staan, wisselgeld tellen, het komt u allemaal even
bekend voor. Ook de incasseerder, die soms op de meest ongelegen ogenblikken
aanbelt, is voor u een vertrouwde, maar daarom nog niet altijd welkome
verschijning. Houders van een girorekening zijn al dit ongerief echter allang
vergeten. Als zijn betalingen verrichten, zitten zij thuis in een gemakkelijke
stoel. Zij kiezen een rustig moment, vullen een paar girokaarten in en . . .
dat is alles.

Het is zo eenvoudig

Als u een girorekening aanvraagt bij een
postkantoor, krijgt u na enkele dagen van het girokantoor twee boekjes met elk
50 girokaarten. Op elke kaart staan uw naam en adres afgedrukt. Als u iemand
betalen wilt, vult u op zo’n girokaart gewoon het bedrag in. Vervolgens zet u
er zijn naam, zijn woonplaats en het nummer van zijn girorekening onder. En
daaronder uw handtekening. U sluit deze kaart, eventueel met nog andere, in een
speciale giro-enveloppe en werpt deze – zonder postzegel – in de brievenbus.
Voor de rest zorgt de Girodienst. Natuurlijk moet u voldoende geld op uw rekening
hebben. De bedragen, die u gireert, worden van uw tegoed afgetrokken. Van het
girokantoor krijgt u een afrekening waaruit blijkt aan wie u heeft betaald en
hoe hoog uw tegoed nu is. De betaalde bedragen worden bij het tegoed van
degenen aan wie u gireert, opgeteld. Deze krijgen van de Girodienst bericht,
dat u hun betaald heeft.

Uit: Postgiro-brochure, circa 1965