Na een mislukte poging tot automatisering in
1923, gaat de Postcheque en Girodienst eind vijftiger jaren echt automatiseren.
De eerste computer was een IBM 1401. In die tijd de meest vooruitstrevende
computer die je voor administratieve doeleinden kon gebruiken.

Deze computer kende verschillende onderdelen
die met kabels aan elkaar waren verbonden:

* De centrale verwerkingseenheid die al het
rekenwerk deed (te vergelijken met de centrale processor, wat omliggende
kleinere chips en de geheugenchips in een moderne PC)

* De kaartlezer en kaartponsmachine die de
gegevens uit de ponskaarten las, of nieuwe gegevens in een ponskaart ponste
(vergelijkbaar met het gebruik van een USB-stick)

* De tape-units waarmee magnetische banden
konden worden gelezen en beschreven (daar gebruiken we nu een harde schijf
voor)

* Een uitbreiding van het werkgeheugen (een
aparte kast)

* En het informatiestation, een elektrische
typemachine die gegevens van de computer kon printen, maar waar – door middel
van het toetsenbord – ook opdrachten aan de computer konden worden gegeven.

Het geheugen van de 1401 bestond uit kleine
ringetjes – minder dan 2 millimeter doorsnee – van porcelein gemengd met wat
metaal. De ringen waren bevestigd op een netwerk van metalen draden waar stroom
doorheen liep. Een dergelijk geheugen was zo groot, dat zelfs een (naar moderne
maatstaven) extreem klein geheugen, heel veel plek in beslag nam. Het geheugen
van de 1401 was 12 kilobytes, uitbreidbaar tot 16 kilobyte. Om een idee te
geven: een gemiddeld liedje in MP3-formaat is 2000 keer zo groot. En dat alles
in een kast waar mijn koelkast klein bij lijkt.

De gegevens werden door middel van ponskaarten
in het geheugen van de computer geplaatst. Jarenlang waren de meeste
formulieren van de PCGD uitgevoerd als ponskaarten. Door middel van koperen
borsteltjes kon de kaartlezer ‘lezen’ op welke positie de ponsgaten waren
geponst. Elke plek op de kaart had een andere betekenis. Hierdoor konden zowel
cijfers als letters in het geheugen van de computer worden ingevoerd.

De kaartlezer van de 1401 kon maar liefst 800
kaarten per minuut lezen. Dat komt ongeveer overeen met het kopiëren van een
MP3-liedje in 50 minuten.

Het
klinkt misschien allemaal wat primitief, maar met behulp van deze systemen werd
in de zestiger jaren wel de helft van het totale girale betalingsverkeer van
Nederland geregeld.